Alles over Rottumeroog

Geplaatst op donderdag 31 oktober 2002 @ 17:34 , 517 keer bekeken

Rottumeroog Van Rottumeroog is veel bekend. Het was mandelig eigendom. Voor 2/3 behoorde het aan het Benedictijnerklooster te Rottum ten zuiden van Usquert en voor 1/3 aan het Premonstratenserklooster, het Oldenklooster, bij Kloosterburen (De Marne). Uit een oorkonde van 25 maart 1354 is bekend een uitspraak van de pastoors van Uithuizen en Uithuizermeeden in een geschil tussen wereldlijke en kerkelijke machthebbers over rechten over het eiland tussen het klooster Rottum en inwoners van Uithuizen. Aan laatstgenoemden werden enige rechten verleend als: het laten grazen van hun vee op het eiland tegen betaling en het mogen afsnijden van helm, maar verboden werd het uitrukken daarvan. In de 15de eeuw was het eiland een vestigingsplaats voor de handel. Volgens Ubbo Emmius in zijn Historia Rerum Frisicarum kwamen in 1483 de Hamburgers op het eiland, roofden alle goederen van de Groninger kooplieden en staken de gebouwen in brand. Ook zeerovers lieten zich horen en gelden, alsmede in het laatst van de 16de eeuw de Watergeuzen onder aanvoering van Barthold Entens van Mentheda (Middelstum). Gelet op de ligging was bescherming van bezit vanaf het vaste land moeilijk te verwezenlijken. Na de Reductie in 1594 ging het eigendom van Rottumeroog door de saecularisatie van het kloosterbezit, de overgang van geestelijke bezittingen in wereldlijke handen, over naar het Gewest Stad en Lande. Tot 1608 waren er twee huurders van Rottumeroog en wel Conraedts Entens voor 2/3, het oude Rottumer bezit en Johan Dercks voor 1/3, het voormalige eigendom van het Oldenklooster. Voor een periode van 24 jaren ging de pacht daarop over op jr. Johan Sickinghe en zijn vrouw Lucia Jongema van de Warffumborg voor in totaal 1600 Carolus gld. In de overeenkomst werd bepaald dat genoemde som in 1632 zou worden terugbetaald, zodat er in feite sprake was van een geldiening met het eiland als onderpand. Tussen 1632 en 1659 werden er vijf overeenkomsten tot verpachting gesloten met een pachtsom, variërend tussen 100 en 150 Carolus gld. per jaar. Waarschijnlijk door geldgebrek besloten de Staten der provincie op 28 oktober 1659 voormalig kloosterbezit, landerijen zowel als heerlijke rechten, te verkopen. Koper van Rottumeroog werd een combinatie van vier personen onder leiding van jr. Schotto Tamminga, Heer van de borg te Bellingeweer, die zijn deelgenoten uitkocht. De koopsom bedroeg 7.300 Car. gld. Bij zijn overlijden in 1663 werden zijn zonen Johan en Onno Tamminga eigenaren. Bij een scheiding in 1669 verkreeg Onno het eiland geheel in zijn bezit. Reeds zes jaren later ging hij met zijn neef jr. Roelof Sickinghe van de Warffumborg, gesneuveld tijden een expeditie van Koning-stadhouder Willem III bij Exeter in Engeland in 1688, en diens echtgenote Amelia Clant van Nijenstein (Zandeweer) een overeenkomst bij erfwisseling aan, waardoor Rottumeroog in het bezit kwam van de Heer van Warffum. Alhoewel Sickinghe zijn bezit in Warffum in 1683 wegens schulden moest verkopen, bleef het eiland zijn eigendom. Na het overlijden van zijn echtgenote verkochten haar erfgenamen op 4 maart 1695 Rottumeroog met opstallen en alles wat daarbij hoorde aan Louis Trip (1654-1698), toenmalige eigenaar van de Warffumborg en Michiel van Bolhuis (overl. 1704) te Warffum voor de som van 1.500 Car. gld. In ruim dertig jaren was de waarde met 5.750 Car. gld. gedaald. Nadat de weduwe Trip (Catharina Trip) de borg en bijbehoren had verkocht aan de Ommelanden, droeg Abel Eppo van Bolhuis als opvolger in rechten van zijn vader en namens eerstgenoemde Rottumeroog op 23 december 1706 over aan Donough Macarthy, earl of Clantarty uit het Koninkrijk Ierland voor 3.000 Car. gld. Hij zou het eiland tot 1731 in eigendom houden. De overeenkomst hield ten aanzien van de betaling van de koopsom de bepaling in dat "koper belove te betaelen over acht weken naedat de vorst sal opgehouden zijn." Graaf Clancarty werd in 1668 in Blarney bij Cork in het zuiden van Ierland geboren. Voor zijn komst naar Rottumeroog had hij reeds een avontuurlijk leven achter de rug. Stammend uit een oud adellijk geslacht, dat daadwerkelijk betrokken was bij de strijd tussen katholieken en protestanten, werd hij commandant bij de cavalerie van de katholieke Koning Jacobus II, die in 1689 de nederlaag leed tegen Willem III. Clancarty werd in de Tower in Londen gevangen gezet en zijn goederen in Ierland werden verbeurd verklaard. In 1694 uit gevangenschap ontsnapt ging hij naar Frankrijk, waar hij het bevel kreeg over een corps lerse uitgewekenen. Op ruim 15-jarige leeftijd was hij, die na het overlijden van zijn vader in 1676 een protestantse opvoeding had ontvangen, op 3 december 1684 in de Westminster Abbey in Londen getrouwd met de 11-jarige Elisabeth Spencer, de dochter van Robert, graaf van Sunderland. Na het vredesverdrag van Rijswijk in 1697 hoopte Clancarty op een verzoening met de Engelse regering en ging hij terug naar Londen, naar de familie Sunderland, waar zijn vrouw woonde. Evenwel, op de overgang van 1697 naar 1698 werd hij gearresteerd en opnieuw in de Tower opgesloten. Na een petitie aan de Koning (Willem III) verkreeg Clancarty gratie onder de voorwaarde dat hij Engeland zou verlaten (mei 1698). Daaraan voldeed hij en vestigde zich op een buiten bij Oudwoude ten westen van Kollum, dat hij in 1722 nog in eigendom had en in de volksmond de naam Mallegraafsburg bleef behouden. Door tussenkomst van de familie Modderman te Groningen zou hem door de Engelse regering een jaarlijks inkomen van 18-20.000 gld zijn toegekend (mr. A.J. Andreae in Oudheidkundige beschrijving Kollumerland en Nieuwkruisland - 1885). Lang heeft Clancarty niet in Oudwoude verbleven, want in 1702 of 1703 ruilde hij een huis in Ottensen bij Altona tegen een woning bij Wittenberg aan de Elbe. Aldaar overleed zijn echtgenote in 1704. Opmerkelijk is zijn voorkeur tot wonen dichtbij de zee. Zo verkreeg hij eind 1706 Rottumeroog en zijn wijze van leven aldaar heeft tot de verbeelding van de bewoners van de Groninger kuststrook gesproken. Hij werd in zijn doen en laten wel gevolgd, gelet op de opdrachten die luitenant-majoor Casper Coercamp in 1715 van de Gedeputeerde Staten van Groningen ontving om Clancarty te arresteren, zijn woning en het eiland te doorzoeken en zijn schepen in beslag te nemen. Het leverde evenwel niets op. Hield de expeditie verband met de verdenking van strandroof? Tot zijn rechten behoorde het strandrecht, alles wat op het eiland strandde en werd geborgen werd zijn eigendom, maar een op een zandplaat vastzittend schip van de lading beroven, zoals een Hollandse schipper in 1707 overkwam, was strijdig met elk recht, alhoewel vissers soms genegen waren tegen beloning Clancarty van dienst te zijn. Onderhoud Het onderhoud van het eiland werd door Clancarty verwaarloosd. De kerstvloed van 1717 teisterde het eiland zwaar en het huis van de graaf leed grote schade. Hij nam met personeel en een drietal dames de wijk naar de boerderij Groot Zeewijk onder Warffum. Een der dames schonk daar het leven aan een graafje, die niet lang leefde en in de kerk van Warffum tegen betaling van 100 gld. werd begraven. Relaties met noord-oost Friesland waren kennelijk blijven bestaan. In 1731 werd Pieter Pivé, koopman te Dokkum, eigenaar van Rottumeroog. Clancarty vertrok naar Praalshof bij Altona, waar hij op 19 september 1734 overleed. Pivé werd geconfronteerd met de inhoud van een aan Gedeputeerde Staten uitgebracht rapport over de slechte staat van onderhoud van het eiland. Aan de westzijde was een groot gedeelte weggespoeld, hetgeen als een groot gevaar voor de dijken op het vasteland werd aangemerkt. Pivé had toegezegd het onderhoud ter hand te nemen. In 1738 was hij reeds overleden en de provincie kocht, waarschijnlijk het zekere voor het onzekere nemende, Rottumeroog van de weduwe en haar mede-eigenaren te Dokkum en wel burgemeester T. Heeringa, fiscaal Ph. Suiderbaan en de grietman van Oostdongeradeel F.G. van Burmania, voor 4.600 Car. gld. en 4 zilveren ducatons. De provincie Groningen heeft tot 1876 voor het beheer en het onderhoud van Rottumeroog zorg gedragen. Het Rijk nam het toen over. Ingevolge artikel 200 van de Staatsregeling van 1798 waren alle provinciale bezittingen nationaal verklaard, eigendom van het gehele Bataafse Volk, maar het Departementaal Bestuur behield het toezicht. Na de restauratie in 1815 werd bij Koninklijk Besluit van 17 december 1819 het beheer over Rottumeroog en de bekostiging daarvan overgedragen aan de provincie Groningen. Vanaf 1819 werd wegens loon voor de voogd f. 400 per jaar uitgetrokken en voor het onderhoud van de woning en beplantingen een wisselend bedrag. Voogden Uit het doopboek van Warffum blijkt dat in 1678 Warnar Harmens, in dienst van jr. Roelof Sickinghe, voogd was op Rottumeroog. Voordien was de schoolmeester op het eiland tevens strandvonder en zal hij in opdracht van de eigenaar, dan wel de pachter toezicht hebben uitgeoefend. Vóór 1614-1616 was Johannes Schettonis Rubema schoolmeester. Opvolgers waren Johannes Abbenhaer 1616-1620, Jan Geerts 1620- 1621, Hindrik Geerts 1622-1625, Johan van Cleve 1625-1628, Reinder Lubberts 1628- 1634, Jan Benens 1634-1652, Jacob Sebes 1652-1654 Claes Jansen 1654-1669. In 1738 was Jan Wijbrands voogd namens Pieter Pivé c.s.. Hij werd door de Gedeputeerde Staten gehandhaafd. De functie van voogd werd door het Rijk in 1965, toen Jan Toxopeus de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, opgeheven. Sindsdien is Rottumeroog onbewoond. Na Wijbrands zijn voogd geweest: -1741-1764 Tjarko Ebels; -1764-1782 Jochem Voye (Voëge); -1782-1802 Klaas Jacobs (Van Dijk). Was landbouwer op Borkum, trouwde te Warffum 7 april 1771 Fenie Goeytjes. Hij overleed op Borkum in 1827; -1802-1834 Guitjen Klazens van Dijk (volgde zijn vader op), ged. Warffum 14 november 1773, overl. aldaar 8 november 1857. Hij was van 1842-1846 lid van de gemeenteraad van Warffum; -1834-1865 Klaas Guitjes van Dijk, ged. Warffum 19 juni 1803, overl. aldaar 27 augustus 1886; -1865-1908 Guitje Klazes van Dijk, geb. Warffum 13 januari 1833, overl. aldaar 10 november 1912; -1908-1936 Hindrik Toxopeus, geb. Bierum 20 augustus 1871, in 1936 vertrokken naar Delfzijl, opgevolgd door zijn zoon; -1936-1965 Jan Toxopeus, geb. Delfzijl 7 september 1900, overl. aldaar 30 maart 1979. In Warffum staat nog het huis aan de vaste wal van de voogden Van Dijk, Oosterstraat 34, een boerderij, blijkens een gevelsteen oorspronkelijk uit 1742, maar herbouwd in 1866. 31-10-2002


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: